
door Redacteur J.J. Beintema
COLA
Eén van de zegeningen van de bevrijding in 1945 was de introductie van Coca Cola in ons land. Nog steeds zijn er critische berichten over dit genotmiddel, zowel over de calorische waarde als over de effecten van de hoge concentratie fosforzuur op het gebit. Inmiddels zijn er nu ook Pepsi Cola en zelfs Mecca Cola verkrijgbaar, de laatste volgens informatie ontvangen in de Souk in de Folkingestraat in Groningen alleen in de Ramadan-periode. Persoonlijk prefereer ik rode wijn. In mijn studententijd heb ik wel Cola-tik gedronken, met bijvulling van uitsluitend tik als het glas leger werd. Dit had weinig invloed op kleur en smaak. Ik begrijp dat nu Breezers op de markt zijn om hetzelfde effect te bereiken.
Onderzoekingen over Coca Cola dateren reeds uit begin vijftiger jaren. De Historische Commissie van de NVBMB heeft ruim tien jaar geleden interviews afgenomen van een aantal vooraanstaande Nederlandse biochemici. Hieronder volgt een fragment uit het met Prof.dr. Sjoerd L. Bonting (Hoogleraar Biochemie in Nijmegen van 1965 tot 1985)door prof. dr. J.J.H.H.M.de Pont in 1994 afgenomen interview over zijn promotie onderzoek over dit onderwerp. (Vorig jaar zijn in dit bulletin reeds fragmenten gepubliceerd over de hoofdlijn van het onderzoek van Prof. Bonting in Nijmegen en daarvoor over biologische transportprocessen, met name over Na-K ATPase.)
Prof. Bonting deed dit promotie onderzoek bij de voedingsdeskundige Prof.dr. B.C.P. Jansen (1884-1962), de voorganger van Prof. dr. E.C. Slater in Amsterdam. Naar hem was het B.C.P. Jansen Instituut voor Biochemie aan de Plantage Muidergracht genoemd, dat tot mijn schrik - hetgeen bleek tijdens een recente wandeling in Amsterdam - al weer is afgebroken.
-- J.J. Beintema
Fragment uit het Interview:
PROMOTIETIJD (1950-1952, Amsterdam)
B.C.P. Jansen had het Nederlands Instituut voor Volksvoeding (NIVV) weer tot leven gewekt. Dat instituut viel eigenlijk samen met de afdeling, want voeding was zijn grote interesse. Het NIVV was in 1920 opgericht door prof. dr E.C. van Leersum. Jansen bracht verschillende industrieën en ook overheidsinstanties ertoe onderzoekingen aan het NIVV op te dragen, maar met de voorwaarde er in dat het gepubliceerd mocht worden. Hij kon daardoor veel meer medewerkers aan-stellen dan het universitaire budget hem toeliet. Hij was op dit punt zijn tijd vooruit. Een soort derde geldstroom dus. Hij had een tweetal onderzoeken voor mij. Wat ik tenslotte heb gekozen, dat was het onderzoek over het mogelijke gevaar van Coca Cola. Dat speelde toen heel sterk omdat de bier- en vruchtensap mensen nog niet zo terug gekomen waren. Het was nog maar kort na de oorlog. Coca Cola had Europa gekolo-niseerd, dus die andere mensen wilden er wel vanaf, en verspreidden verhalen over het gevaar van Coca Cola. Dat was enerzijds de caffeïne, anderzijds het fosforzuur dat er in zat als frismakende substantie. Dat was een anorganisch zuur. Dus, zeiden ze, dat is erg gevaarlijk want daarvan lossen tenslotte al je botten op. Dat was een belangrijk punt dat onderzocht moest worden, want van dat onderzoek hing het af of Coca Cola in Nederland en Zweden goedkeuring zou krijgen om het te maken en aan de man te brengen. Kosten waren geen probleem, maar de tijd was beperkt, het moest snel. Ik heb toen de unieke situatie gehad dat ik vijf analisten tot mijn beschikking had en, voor het rekenwerk, een werkstudent voor halve dagen. We hebben het in twee jaar en twee maanden voor elkaar gebracht. Dus ongeveer twee en een half jaar nadat ik aantrad ben ik gepromoveerd (7 mei 1952 "The effect of a prolonged intake of phosphoric acid and citric acid in rats"). Ik heb mijn proefschrift in het Engels geschreven. Dat was toen misschien niet zo gebruikelijk in Nederland, maar bij Jansen werd dat meestal wèl gedaan, ik denk ruim vijftig procent. De uitkomst van het onderzoek was prettig voor Coca Cola. De ratten kregen een dieet dat overeenkwam met het gemiddelde Nederlandse dieet. Daar werd dan fosforzuur aan toegevoegd. Verder hadden we een vergelijkingsgroep met citroenzuur als een organisch zuur, en natuurlijk een controle groep zonder zuur. Ik denk dat we er zoiets van achthonderd ratten in verwerkt hebben. De ratten kregen fosforzuur in een dosering die ik als het absolute maximum had berekend. Dat was namelijk gebaseerd op de veronderstelling dat de mens zoveel Coca Cola drinkt dat hij zijn volledige calorieënbehoefte kan dekken door het suiker dat er in zit, en dat doet jaar na jaar. Dan drinkt hij zo’n dertig flesjes Coca Cola per dag! Dat heb ik omgerekend voor de ratten.
Een belangrijk onderdeel was een onderzoek van het metabolisme. Je hebt waarschijnlijk nog nooit een metabolisme-kooi gezien. Dat is een kooi met gaas-bodem, waaronder een lang uitlopend glazen peertje hangt. De rattekeuteltjes die stuiten af op die peer en die vallen in een ruimer bekerglas onder de kooi, maar de urine stroomt langs het peertje en komt dan in een nauwer bekerglaasje. Zo kun je dus gescheiden urine en faeces onderzoeken. We hadden veertig ratten in drie verschillende groepen, dus veertig kooien. Eens per week werden de urine- en faecesmonsters van die veertig kooien verzameld, en die moesten dan in de komende week volledig geanalyseerd worden. Daar konden we niet in falen, want dan liep de hele zaak spaak. De faeces moest eerst gedroogd worden. Dat gebeurde dan zo: op vrijdagmiddag ver-zamelden we faeces, en dan mochten om vier uur de dames naar huis en zette ik de faeces in de droogstoof. Op de maandag-ochtend mochten ze dan iets later komen. Eerst opende ik de ramen, want het stonk natuurlijk verschrikkelijk, en haalde de monsters uit de stoof. Die werden dan geanalyseerd. Het is allemaal heel goed verlopen.
Een overzicht over de resultaten van het onderzoek is gepubliceerd in Voeding. Wij hebben een paar enzymen bepaald en natuurlijk uitgebreid mineralen. Maar waar het voornamelijk om ging, en dat was toch wel een interessante vraagstelling, dat was het volgende. Tot op dat ogenblik was de kennis van hoe het lichaam zuuruitscheiding reguleert helemaal beperkt tot acute zuurtoediening. De mechanismen daarvan waren bekend: de fosfaat-shift en de vorming van ammonia en kooldioxyde. Maar niemand wist op dat ogenblik hoe chronische toediening van zuur in wat lagere concentratie zou kunnen worden verwerkt door die mechanismen. Wij hebben er zelfs nog isotopen-werk bijgedaan. Een deel-onderzoek was namelijk hoe het bot wordt afgebroken. Dat hebben we gedaan door ratten in te spuiten met het isotoop (ik weet niet meer of dat calcium of fosfor was) en onmiddellijk één achterpoot te amputeren. Dat doorstonden ze heel aardig. Na zes weken werden ze gedood en werd de andere achterpoot genomen. In het bot bepaalde je dan de isotoop-activiteit. Je kon dan zien hoeveel van dat element er uit was gegaan. Dat deden wij voor de zuur-belaste en de niet-zuur-belaste dieren. Er was geen enkel significant verschil. Dus het skelet speelde niet mee bij de neutralisatie van het zuur, ondanks de beweringen van de tegenstanders van Coca Cola. Wat we dus vonden was dat de normale fysiologische mechanismen van de zuuruitscheiding ook volkomen dekkend waren over een lange periode.Het enige waar een effect was te zien was op de tanden. Het was een geluk dat wij toen tegelijker-tijd een onderzoek hadden lopen van Loek Daldrup over cariësvorming. Zij had een kwantitatieve cariës-index methode uitgewerkt voor ratten. Zij heeft het toen ook voor al mijn ratten gedaan. Toen vond ze dat de cariës totaal niet veranderd was, maar de tanden vielen wel op doordat ze zo keurig glanzend waren. Er was geen "plaque" op, en ze waren een beetje afgesleten op de hoeken, op de bovenkanten, niet in de holten waar de cariës ontstaat. Dat was dus het effect van het fosforzuur. We hebben ook histologie op die beesten gedaan, lever, nieren, spieren enz. maar daar werd ook niets gevonden. Voor de firma Coca Cola was dat een aardig resultaat. Zij zijn toen toegelaten in Nederland en Zweden.
10/03/06
Lid worden van de NVBMB?
Klik hier en meld je aan!
NVBMB is een uitgave van KNCV.
© 2010 nvbmb.kncv.nl - alle rechten voorbehouden.
